Do., 26.05.2016  Aktuelles | Greven | Heimatverein | Sachsenhof | Arbeitskreise | Termine | Bücher | Bildergalerie
     
Bücher
  Grevener Rückspiegel
  Film: Greven 1981
  Gästebuch
  Links
  Downloads
  Kontakt
  Impressum
Suche
Mitgliedschaft
  Jetzt Mitglied werden
  Satzung des Vereins
   
                             

DE GESCHIEDENIS VAN DE STAD GREVEN

Sinds duizenden jaren vestigden zich ook in onze streken, zoals uit archeologisch onderzoek van de laatste jaren bleek, mensen op het geestland langs de Ems. Vestigingen van boeren in de vroege Saksentijd (6e-8e eeuw) konden eveneens aangetoond worden. Aan dit tijdperk herinnert de Sachsenhoeve in Pentrup.

De landelijke buurten die reeds uit vroeg-resp. uit vóór-Saksische tijd stammen, zijn aan hun benaming te herkennen. Daartoe horen zowel nederzettingen waarvan de naam eindigt op "-trup" (Pentrup, Aldrup), als ook de benaming "Grevaon" voor Greven. De meest waarschijnlijke interpretatie van dit woord is wel "Gräben" (grachten), als verwijzing naar bijzonder vele oude Emsarmen in dit gebied.

De bevindingen van historisch onderzoek wijzen erop dat de Franken reeds bij het begin van de Saksenoorlog (772-804 n.Chr.) en na de bouw van het versterkingscomplex Mimigernaford (Münster), de oeroude militaire en handelsweg van Münster over Rheine naar Emden wilden beveiligen. Eveneens wilden ze de Emsovergang aan het eindpunt van de scheepvaart op de Ems, door Frankische vestigingen en versterkingen beschermen.
Zo ligt de door een gracht versterkte hoeve Schulte Aldrup (nu Schulze Höping Pellengahr) als blokkade in de twee-sprong tussen deze beide wegen.

Voor de definitieve beveiliging van de Emsovergang werden door de Franken, daar waar zich vandaag het stadcentrum bevindt, twee landelijke buurten - van nu af met Frankische bewoners - tot het dorp Grevaon samengelegd en door een voogd bestuurd.
Het nu planmatig aangelegde dorp, omvatte 8 hoeves met elk een even grote oppervlakte en een gelijke deelneming aan de beide tot het dorp behorende dorpsakkers, met daartussen de pastorie-hoeve die dubbel zo groot was.

Ongeveer tegelijkertijd (793) werd hier, waarschijnlijk door de heilig Liudger zelf, de Sint Martinuskerk in Greven opgericht, als centrum van een nieuwe oer-parochie waarvan de toenmalige omvang vandaag nog op het gebied van de gemeente Greven voortbestaat. De heilige Liudger kreeg van Karel de Grote in 792 de opdracht de onderlinge verhoudingen en toestanden in de kerk van het westelijke Westfalen in orde te brengen.

Door zijn ligging aan de zuidelijkste Emshaven, was het dorp Greven reeds in de beginperiode van het vorstbisdom Münster van bijzondere economische (sinds ongeveer 1200 bestond er in het dorp een markt) en militaire betekenis (bescherming tegen de graaf van Tecklenburg).

Daarom ontstond, misschien reeds rond 1200, op de naar Münster toegekeerde oever van de Emsovergang bij Schöne-flieth, een torensgewijs gebouwde burcht ("Motte") op een door grachten omgeven heuvel. Deze wordt echter pas in het jaar 1257 voor de eerste maal in schriftstukken vermeld, als woonplaats van Ridder Dietrich von Schonenbeke. De voorouders van deze ridder waren zeer geachte en machtige vazallen van de bischop van Münster. Hijzelf beheerde als vrijgraaf 15 parochies in de omgeving van Münster, waartoe ook Greven, Gimbte en Hembergen behoorden.

Maar Dietrich stond de politieke strevingen van het bisdom uit economisch en militair oogpunt in de weg. Daarom en ook wel omdat hij blijkbaar als roofridder actief was, veroverde en vernietigde de krachtige bischop Eberhard von Diest de burcht Schöneflieth in het jaar 1276. En in het jaar 1282 moesten Dietrich en zijn zoon, de ministerialis Hermann, tenslotte helemaal afstand doen de destijds van het domkapittel verkregen lenen en rechten. Het einde van de heerschappij van de ridders van Schonenbeke werd ons ook door een sage overleverd.

Ongeveer l00 jaar later, rond 1365, liet het Münsterse domkapittel op haast dezelfde plaats een nieuwe, grotere burcht bouwen, dit maal op 2 eilandjes. Van nu af aan moest elke Münsterse domkapittelheer zweren deze burcht in stand te houden.
De betekenis van de burcht bestond er voor het domkapittel in, dat deze diende als een mogelijk toevluchtsoord in de nabijheid van Münster, ter bescherming van de Emshaven en als tolplaats.
De op de burcht verblijvende domkapittelheer kon bovendien belangrijke inkomsten opstrijken uit de visvangst in de omgeving.

Maar reeds ten tijde van de dertigjarige oorlog (1618-1648) had de burcht Schöneflieth haar militaire waarde verloren. Weliswaar woonden hier noch tot in de 18e eeuw Münsterse kapittelheren, maar de burcht werd na de secularisatie van 1803 aan het verval prijsgegeven. In 1812 werd ze door de Fransen aan Grevense kooplieden verkocht om af te breken.

Vandaag wordt er voor gezorgd dat het nog bewaard gebleven fundament van de voorburcht en het grachtensysteem zullen behouden blijven.

De oprichting van de burcht Schöneflieth in de 13e en 14e eeuw is een duidelijk teken voor de toenmalige betekenis van handel en verkeer op de Ems, die tot Greven bevaarbaar was. Maar ook de Grevense markt was toen tot ver over de grenzen van Westfalen bekend als een belangrijke vee- en rommelmarkt. Op de marktdag zelf, telkens op de eerste maandag na Bartholomeus (25 augustus), werd aan de kerktoren als zichtbare vermaning om zich aan de marktvrede te houden, de marktvlag uitgehangen. De "Gograf" lette op het naleven van wet en orde. Deze markt vond plaats tot in het jaar 1888, op de grote dorpsakker ten noorden van het dorp, langs beide kanten van de grote straatweg. Sinds 1842 strekte hij zich zelfs tot in het dorp zelf uit.

Tegen het einde van de 16e eeuw brachten vooral Münsterse kooplieden de haast tot stilstand gekomen scheepvaart op de Ems, die met vlakke boten, zogenaamde "Pünten", bedreven werd, weer in gang. Handel en nijverheid met laken, hout en specerijen kwamen opnieuw tot bloei.

Het dorp Greven gold vroeger als een naar de hansa gerichte plaats, vertegenwoordigd door Münster. Maar Grevens kooplieden met aktiviteiten tot in de verre omgeving, werden reeds sinds het midden van de 14e eeuw met naam vermeld in vele hansasteden. Deze kooplieden namen meer en meer invloed op de handel in Greven.

Direct aan de oever van de Ems ontstond in deze tijd het nieuwe woongebied "Nierodde" (= Neurodung/nieuwe ontginning, vandaag "Niederort"). Daar vestigden zich ambachtslieden en kooplieden, die voorraadsschuren bouwden. Ook längs de Münster- en de Marktstraße kwam een verdichting van de bebouwing tot stand.

De uitbreiding van de vrijheidsoorlog in de Nederlanden en de dertigjarige oorlog brachten dan echter de Grevense markt en het handelsleven in het dorp haast volkomen tot stilstand.

Pas bij het begin van de 18e eeuw waren er in Greven opnieuw kooplieden die ver door het land trokken, vooral in de textielhandel.
Deze kooplieden namen ook in het dorp het beheer over. Kerkprovisoren en ook de bestuurders (Gildemeister/gilde-meesters, later Rottmeister/troepmeester genoemd) stamden van nu af aan haast uitsluitend uit hun rijen. Zij beheerden het dorp ook ten dien tijde, als de koning van Pruisen landsheer werd (1802) en evenzo in de tijd van de Franse bezetting (1806-1813), als de "mairie" Greven tenslotte zelfs een deel van het Franse keizerrijk was.

De achteruitgang van het spinnen en weven met de hand, veroorzaakt door de exporten van de Engelse textielindustrie, verhinderde tientallen jaren de verdere ontwikkeling van het dorp.

Toen echter, na de Franse bezetting, de handel stilaan weer opbloeide, zette zelfs voor korte tijd de scheepvaart op de Ems weer in. De bouw van de spoorlijn Münster-Rheine (1856) bracht dan het definitieve einde van de scheepvaart mee.

Was Greven rond 1800 een dorp van kooplieden en ambachtslieden, veranderde dat nu snel. De oprichting van de "Grevener Baumwollspinnerei" (Grevense katoenspinnerij) in het jaar 1885, de nieuwe spoorwegaansluiting en de bouw van grote verbindingswegen naar de dorpen en steden in de buurt, maakten Greven snel tot een industrieplaats met een hele rij textielbedrijven. De textielindustrie drukte dan tot in de jaren zestig van deze eeuw Greven haar stempel op.

Sinds de tweede wereldoorlog groeide Greven bestendig. Bedroeg het aantal dorpsbewoners rond 1850 noch ongeveer 1500, leefden hier rond 1900 al 4700 mensen, rond 1950 waren het er reeds 10.800. Sinds 1989 hebben 3o.ooo mensen hier hun woonplaats.

De nieuwe vestigingen begonnen in de loop van de vorige eeuw eerst in aansluiting aan de kom van het dorp. Nieuwe woonkernen met kerk en school ontstonden kort voor de eeuwwisseling in Schmedehausen en vanaf 1925 op het terrein van een gewezen munitieopslagplaats in Reckenfeld.

Op 22 januari 1950 kreeg "het grootste dorp in het Münsterland" stadrechten. Het wapen van de stad toont veelbetekenend in een veld van azuur een zilveren zeilboot (Pünte).

In 1952 verenigden zieh opnieuw de gemeenten Greven, Greven rechts der Ems en Greven links der Ems, die in 1894 zelfstandig geworden waren. Door de fusie van gemeenten in de jaren na 1970, ist het gelukt de economische monostruktuur van de Stadt te doorbreken, door het doelgericht verlenen van steun aan ondernemingen en het aantrekken van nieuwe bedrijven uit andere industrietakken. De verkeerssituatie is voor de vestiging van nieuwe bedrijven optimaal, o.a. door de aansluiting op de autosnelweg, door twee Bundesstraßen (nationale straatwegen), de Bundesbahn (spoorweg), het kanaal Dortmund-Ems en door de luchthaven Münster/Osnabrück (FMO), die op het grondgebied van Greven ligt.

De integratie van Greven in het parklandschap van het Münsterland, de in de voorbije jaren met grote zorg uitgevoerde sanering van het stadcentrum met voetgangerszone en groene zones, en een gevarieerd kultureel aanbod, geven aan de stad een modern en tegelijk beminnelijk karakter.

Text (1991): AK. Geschichte im Heimatverein


Übersetzung: Maria Seidel-Merckx