De landelijke buurten die reeds uit vroeg-resp. uit vóór-Saksische tijd
stammen, zijn aan hun benaming te herkennen. Daartoe horen zowel nederzettingen
waarvan de naam eindigt op "-trup" (Pentrup, Aldrup), als ook de benaming
"Grevaon" voor Greven. De meest waarschijnlijke interpretatie van dit woord is
wel "Gräben" (grachten), als verwijzing naar bijzonder vele oude Emsarmen in dit
gebied.
De bevindingen van historisch onderzoek wijzen erop dat de Franken reeds bij
het begin van de Saksenoorlog (772-804 n.Chr.) en na de bouw van het
versterkingscomplex Mimigernaford (Münster), de oeroude militaire en handelsweg
van Münster over Rheine naar Emden wilden beveiligen. Eveneens wilden ze de
Emsovergang aan het eindpunt van de scheepvaart op de Ems, door Frankische
vestigingen en versterkingen beschermen. Zo ligt de door een gracht
versterkte hoeve Schulte Aldrup (nu Schulze Höping Pellengahr) als blokkade in
de twee-sprong tussen deze beide wegen.
Voor de definitieve beveiliging van de Emsovergang werden door de Franken,
daar waar zich vandaag het stadcentrum bevindt, twee landelijke buurten - van nu
af met Frankische bewoners - tot het dorp Grevaon samengelegd en door een voogd
bestuurd. Het nu planmatig aangelegde dorp, omvatte 8 hoeves met elk een even
grote oppervlakte en een gelijke deelneming aan de beide tot het dorp behorende
dorpsakkers, met daartussen de pastorie-hoeve die dubbel zo groot was.
Ongeveer tegelijkertijd (793) werd hier, waarschijnlijk door de heilig
Liudger zelf, de Sint Martinuskerk in Greven opgericht, als centrum van een
nieuwe oer-parochie waarvan de toenmalige omvang vandaag nog op het gebied van
de gemeente Greven voortbestaat. De heilige Liudger kreeg van Karel de Grote in
792 de opdracht de onderlinge verhoudingen en toestanden in de kerk van het
westelijke Westfalen in orde te brengen.
Door zijn ligging aan de zuidelijkste Emshaven, was het dorp Greven reeds in
de beginperiode van het vorstbisdom Münster van bijzondere economische (sinds
ongeveer 1200 bestond er in het dorp een markt) en militaire betekenis
(bescherming tegen de graaf van Tecklenburg).
Daarom ontstond, misschien reeds rond 1200, op de naar Münster toegekeerde
oever van de Emsovergang bij Schöne-flieth, een torensgewijs gebouwde burcht
("Motte") op een door grachten omgeven heuvel. Deze wordt echter pas in het jaar
1257 voor de eerste maal in schriftstukken vermeld, als woonplaats van Ridder
Dietrich von Schonenbeke. De voorouders van deze ridder waren zeer geachte en
machtige vazallen van de bischop van Münster. Hijzelf beheerde als vrijgraaf 15
parochies in de omgeving van Münster, waartoe ook Greven, Gimbte en Hembergen
behoorden.
Maar Dietrich stond de politieke strevingen van het bisdom uit economisch en
militair oogpunt in de weg. Daarom en ook wel omdat hij blijkbaar als roofridder
actief was, veroverde en vernietigde de krachtige bischop Eberhard von Diest de
burcht Schöneflieth in het jaar 1276. En in het jaar 1282 moesten Dietrich en
zijn zoon, de ministerialis Hermann, tenslotte helemaal afstand doen de destijds van het domkapittel verkregen lenen en rechten. Het einde van de
heerschappij van de ridders van Schonenbeke werd ons ook door een sage
overleverd.
Ongeveer l00 jaar later, rond 1365, liet het Münsterse domkapittel op haast
dezelfde plaats een nieuwe, grotere burcht bouwen, dit maal op 2 eilandjes. Van
nu af aan moest elke Münsterse domkapittelheer zweren deze burcht in stand te
houden. De betekenis van de burcht bestond er voor het domkapittel in, dat
deze diende als een mogelijk toevluchtsoord in de nabijheid van Münster, ter
bescherming van de Emshaven en als tolplaats. De op de burcht verblijvende
domkapittelheer kon bovendien belangrijke inkomsten opstrijken uit de visvangst
in de omgeving.
Maar reeds ten tijde van de dertigjarige oorlog (1618-1648) had de burcht
Schöneflieth haar militaire waarde verloren. Weliswaar woonden hier noch tot in
de 18e eeuw Münsterse kapittelheren, maar de burcht werd na de secularisatie van
1803 aan het verval prijsgegeven. In 1812 werd ze door de Fransen aan Grevense
kooplieden verkocht om af te breken.
Vandaag wordt er voor gezorgd dat het nog bewaard
gebleven fundament van de voorburcht en het grachtensysteem zullen behouden blijven.
De oprichting van de burcht Schöneflieth in de 13e en 14e eeuw is een
duidelijk teken voor de toenmalige betekenis van handel en verkeer op de Ems,
die tot Greven bevaarbaar was. Maar ook de Grevense markt was toen tot ver over
de grenzen van Westfalen bekend als een belangrijke vee- en rommelmarkt. Op de
marktdag zelf, telkens op de eerste maandag na Bartholomeus (25 augustus), werd
aan de kerktoren als zichtbare vermaning om zich aan de marktvrede te houden, de
marktvlag uitgehangen. De "Gograf" lette op het naleven van wet en orde. Deze
markt vond plaats tot in het jaar 1888, op de grote dorpsakker ten noorden van
het dorp, langs beide kanten van de grote straatweg. Sinds 1842 strekte hij zich
zelfs tot in het dorp zelf uit.
Tegen het einde van de 16e eeuw brachten vooral Münsterse kooplieden de haast
tot stilstand gekomen scheepvaart op de Ems, die met vlakke boten, zogenaamde
"Pünten", bedreven werd, weer in gang. Handel en nijverheid met laken, hout en
specerijen kwamen opnieuw tot bloei.
Het dorp Greven gold vroeger als een naar de hansa gerichte plaats,
vertegenwoordigd door Münster. Maar Grevens kooplieden met aktiviteiten tot in
de verre omgeving, werden reeds sinds het midden van de 14e eeuw met naam
vermeld in vele hansasteden. Deze kooplieden namen meer en meer invloed op de
handel in Greven.
Direct aan de oever van de Ems ontstond in deze tijd het nieuwe woongebied
"Nierodde" (= Neurodung/nieuwe ontginning, vandaag "Niederort"). Daar vestigden
zich ambachtslieden en kooplieden, die voorraadsschuren bouwden. Ook längs de
Münster- en de Marktstraße kwam een verdichting van de bebouwing tot stand.
De uitbreiding van de vrijheidsoorlog in de Nederlanden en de dertigjarige
oorlog brachten dan echter de Grevense markt en het handelsleven in het dorp
haast volkomen tot stilstand.
Pas bij het begin van de 18e eeuw waren er in Greven opnieuw kooplieden die
ver door het land trokken, vooral in de textielhandel. Deze kooplieden namen
ook in het dorp het beheer over. Kerkprovisoren en ook de bestuurders
(Gildemeister/gilde-meesters, later Rottmeister/troepmeester genoemd) stamden
van nu af aan haast uitsluitend uit hun rijen. Zij beheerden het dorp ook ten
dien tijde, als de koning van Pruisen landsheer werd (1802) en evenzo in de tijd
van de Franse bezetting (1806-1813), als de "mairie" Greven tenslotte zelfs een
deel van het Franse keizerrijk was.
De achteruitgang van het spinnen en weven met de hand, veroorzaakt door de
exporten van de Engelse textielindustrie, verhinderde tientallen jaren de
verdere ontwikkeling van het dorp.
Toen echter, na de Franse bezetting, de handel stilaan weer opbloeide, zette
zelfs voor korte tijd de scheepvaart op de Ems weer in. De bouw van de spoorlijn
Münster-Rheine (1856) bracht dan het definitieve einde van de scheepvaart mee.
Was Greven rond 1800 een dorp van kooplieden en ambachtslieden, veranderde
dat nu snel. De oprichting van de "Grevener Baumwollspinnerei" (Grevense
katoenspinnerij) in het jaar 1885, de nieuwe spoorwegaansluiting en de bouw van
grote verbindingswegen naar de dorpen en steden in de buurt, maakten Greven snel
tot een industrieplaats met een hele rij textielbedrijven. De textielindustrie
drukte dan tot in de jaren zestig van deze eeuw Greven haar stempel op.
Sinds de tweede wereldoorlog groeide Greven bestendig. Bedroeg het aantal
dorpsbewoners rond 1850 noch ongeveer 1500, leefden hier rond 1900 al 4700
mensen, rond 1950 waren het er reeds 10.800. Sinds 1989 hebben 3o.ooo mensen
hier hun woonplaats.
De nieuwe vestigingen begonnen in de loop van de vorige eeuw eerst in
aansluiting aan de kom van het dorp. Nieuwe woonkernen met kerk en school
ontstonden kort voor de eeuwwisseling in Schmedehausen en vanaf 1925 op het
terrein van een gewezen munitieopslagplaats in Reckenfeld.
Op 22 januari 1950 kreeg "het grootste dorp in het Münsterland" stadrechten.
Het wapen van de stad toont veelbetekenend in een veld van azuur een zilveren
zeilboot (Pünte).
In 1952 verenigden zieh opnieuw de gemeenten Greven, Greven rechts der Ems en
Greven links der Ems, die in 1894 zelfstandig geworden waren. Door de fusie van
gemeenten in de jaren na 1970, ist het gelukt de economische monostruktuur van
de Stadt te doorbreken, door het doelgericht verlenen van steun aan
ondernemingen en het aantrekken van nieuwe bedrijven uit andere industrietakken.
De verkeerssituatie is voor de vestiging van nieuwe bedrijven optimaal, o.a.
door de aansluiting op de autosnelweg, door twee Bundesstraßen (nationale
straatwegen), de Bundesbahn (spoorweg), het kanaal Dortmund-Ems en door de
luchthaven Münster/Osnabrück (FMO), die op het grondgebied van Greven ligt.
De integratie van Greven in het parklandschap van het Münsterland, de in de
voorbije jaren met grote zorg uitgevoerde sanering van het stadcentrum met
voetgangerszone en groene zones, en een gevarieerd kultureel aanbod, geven aan
de stad een modern en tegelijk beminnelijk karakter.
Text (1991): AK. Geschichte im Heimatverein
Übersetzung: Maria Seidel-Merckx
|